Wat we in de loop der jaren hebben ontdekt — en natuurlijk graag met jullie delen.
Een hartelijk welkom aan de Côte d'Azur
Wat fijn dat jullie er zijn. Ons huis ligt in Floréa Parc aan de Chemin des Moyennes Bréguières, in de wijk La Fontonne. Het is de aangename kant van Antibes: ver genoeg van het gewoel, maar overal dichtbij. Het park om je heen, vol met citroen- en olijfbomen, bougainville en lavendel, kleurt prachtig mee met de seizoenen. Er is een zwembad met een zonneterras waar het tegen de avond bijzonder prettig toeven is. En voor wie de Franse slag te pakken krijgt: er ligt een baan voor een partijtje pétanque bij de picknicktafels — iets wat je na een paar dagen hier vanzelf gaat waarderen.
Het dagelijks leven regel je hier grotendeels te voet. Op een paar minuten lopen vind je bij de Place Jean Aude een bakker, een apotheek en een kleine winkel voor de eerste noodzakelijkheden. Op woensdagochtend is er een marktje op het plein — heel bescheiden, maar precies goed voor verse vruchten, wat kaas en een bos bloemen. Voor de grote voorraad rijd je in een paar minuten naar de Carrefour aan de Route de Grasse. Maar voor werkelijk goede wijn en de mooiste seizoensgroenten raden wij je aan om naar de speciaalzaken of de markt in het oude centrum te gaan — daar is het verschil meteen te proeven.
Het strand — Plage de la Fontonne Ouest — ligt op een kleine kilometer wandelen. Pak je de fiets, dan sta je binnen tien minuten bij de haven of in het oude centrum. De bus stopt praktisch voor de deur: met lijn 8 of 10 ben je zo in het hart van Antibes of bij het station.
De naam 'Antibes' is een verfransing van het Griekse Antipolis — 'de stad aan de overkant'. Grieken uit Marseille vestigden hier rond 400 voor Christus een handelspost, recht tegenover het Ligurische Nice. De Romeinen maakten er een volwaardig stadje van; restanten van hun aanwezigheid liggen nog verspreid onder het plaveisel van het oude centrum. Antibes is daarmee een van de oudste stadjes aan de hele kust.
De entree van Floréa Parc in de avondzon: het zachte kabbelen van de fontein, het pad langs de bougainville en het diepe groen van het park.
Wanneer je ook komt — de omgeving heeft altijd iets bijzonders in petto.
Eind januari explodeert de kust in het geel wanneer de mimosa langs de hele Route du Mimosa tot bloei komt — honderddertig kilometer aan bedwelmende geur. De botanische tuinen van Villa Thuret op de Cap zijn dan op hun mooist. Op de Marché Provençal verschijnen de eerste aardbeien. En het Sentier du Littoral is in deze maanden een genot: fris, stil, en overal wilde bloemen tussen de rotsen.
Februari – aprilDe tijd van het diepe blauw. Het strand ligt op loopafstand, maar zoek ook eens de verborgen baaitjes op de Cap op. Een glas rosé bij de haven terwijl de zon achter het Esterel-gebergte zakt, blijft een onovertroffen ritueel. In juli klinkt de jazz van Juan-les-Pins soms tot in onze tuin. En vergeet niet 's avonds het zwembad van het park te gebruiken: als de rust is weergekeerd, heb je het rijk voor jezelf.
Juni – augustusOns best bewaarde geheim. De grootste drukte is geweken, het kwik tikt nog vaak de twintig graden aan en de zee is nog heerlijk opgewarmd. Je kunt het Sentier du Littoral nu bewandelen zonder een mens tegen te komen. In de dorpen in het achterland beginnen de truffelmarkten en de wijngaarden boven Bellet kleuren de heuvels in de meest schitterende herfsttinten.
September – novemberVaak een strakblauwe hemel en een graad of vijftien. In het Musée Picasso kun je nu in alle sereniteit van de kunst genieten. Op de markt fonkelen de lichtjes en op anderhalf uur rijden glinsteren de skipistes van de Mercantour. Het blijft een bijzonder voorrecht: 's ochtends op de latten in Isola 2000 of Auron, en 's middags weer terug aan de kust.
December – februariDat de Côte d'Azur een toeristische bestemming werd, is in belangrijke mate te danken aan koningin Victoria. Zij reisde vanaf 1882 herhaaldelijk naar de kust, onder het pseudoniem 'Comtesse de Balmoral' — een schuilnaam die overigens niemand voor de gek hield. De koningin doorkruiste de heuvels op een ezelskar, gooide bloemen bij de bloemencorso's en beschreef de Provençaalse herders in haar dagboek met opvallende geestdrift. De hoge Engelse en Europese adel volgde haar voorbeeld, en de streek veranderde in één generatie van een rurale kust in het winterverblijf van de aristocratie.
Een auto is hier vaker een last dan een lust, al zijn de wegen landinwaarts van een zeldzame schoonheid.
Zelf doen wij vrijwel alles op de fiets. Vanuit Floréa Parc rijd je via de Chemin des Moyennes Bréguières in een kleine tien minuten naar Port Vauban en het oude centrum. De weg is aangenaam vlak en voert je zo het vertier tegemoet. Heb je geen eigen tweewieler bij de hand, dan staan de elektrische deelfietsen van Vélo Bleu op diverse punten in de buurt; ze werken uitstekend.
Voor dagtochten is de trein zonder twijfel het slimste vervoer. Gare d'Antibes ligt op vijf minuten rijden of een kort ritje met buslijn 10. Je staat in een kwartier in Nice, in twaalf minuten in Cannes en binnen het uur in Monaco. Download de app SNCF Connect voor je kaartjes — dat scheelt oponthoud bij de automaat. Met een Zou!-dagkaart reis je onbeperkt door de hele regio, ideaal voor een dagje dwalen.
Mocht je toch de auto pakken, dan rijd je in tien minuten de A8 op richting Nice of Cannes. De werkelijk mooie routes liggen echter landinwaarts. Denk aan de weg naar Grasse, dwars door de heuvels die geuren naar jasmijn en lavendel, of de spectaculaire Grande Corniche boven Nice — het traject waar Hitchcock To Catch a Thief opnam en waar je na elke bocht wel even wilt stoppen.
Parkeren in het centrum kan een beproeving zijn, maar de ondergrondse Parking Pré des Pêcheurs bij de haven is ruim en ligt op loopafstand van alles wat ertoe doet. Bezoek je Èze of Saint-Paul-de-Vence? Parkeer dan altijd onderaan het dorp en wandel omhoog. De klim en de vergezichten onderweg zijn het halve plezier.
Toen Napoleon in 1815 ontsnapte van Elba en aan land ging op het strand van Golfe-Juan — op een steenworp van hier — dacht hij in Antibes even de bloemen buiten te zetten. Maar de garnizoencommandant in het Fort Carré weigerde iedere medewerking en nam zelfs Napoleons boodschappers gevangen. De kleine generaal moest noodgedwongen buiten de stadsmuren bivakkeren voordat hij via de bergen naar Parijs trok. Het is een van de weinige keren dat Antibes nee zei tegen een keizerlijk verzoek.
Een stijlvolle weergave met Floréa Parc als rustpunt: de fietsroute naar Vieil Antibes, de wandelroute naar Plage de la Fontonne en de ligging van Gare d'Antibes.
Na een paar dagen merk je dat je pas vanzelf wat langzamer wordt. Dat is het eerste teken dat de vakantie echt is begonnen.
Wat we door de jaren heen hebben ontdekt — en waar we jullie graag naartoe sturen.
Antibes is een stad die haar geheimen niet zomaar prijsgeeft. De bekende bakens — het Musée Picasso, de markt, de haven — zijn stuk voor stuk een bezoek waard, en daar begin je terecht. Maar de werkelijke ziel van de stad schuilt vaak net om de hoek, op plekken waar geen richtingaanwijzer naar wijst.
Gehuisvest in het Château Grimaldi, de plek waar Picasso in 1946 daadwerkelijk enige maanden zijn atelier hield. De collectie is overzichtelijk en dwingt niet tot haasten. Het absolute hoogtepunt is het terras op de oude stadsmuren: het uitzicht over de Baie des Anges is bij het vallen van de avond werkelijk weergaloos. Op maandag houdt men de deuren gesloten.
In 1946 had Pablo Picasso een nijpend tekort aan werkruimte. De toenmalige conservator van het Château Grimaldi bood hem de bovenverdieping aan als atelier. Picasso was dermate verheugd dat hij uitriep: "Ik ga hier niet alleen schilderen, ik ga de muren versieren!" Omdat hij geen geld bij zich had, betaalde hij zijn 'huur' met drieëntwintig schilderijen en vierenveertig tekeningen. Een koopje voor de stad — achteraf bezien.
Deze stervormige vesting uit de zestiende eeuw waakt al eeuwen geduldig over de haven. Hoewel het binnen aardig toeven is, wandelen wij liever over het pad dat eromheen slingert. Je hebt er een weids uitzicht over Port Vauban, de bergen en de daken van de stad. Ga bij voorkeur tegen het einde van de middag, wanneer het licht zacht wordt en de meeste dagjesmensen alweer huiswaarts zijn gekeerd.
Fort Carré heeft niet alleen keizers de deur gewezen, maar ook een filmpremière overleefd. In Never Say Never Again (1983) deed het fort dienst als het hoofdkwartier van de schurk Largo. Sean Connery liep er nog over de kantelen.
De haven van Antibes is een van de grootste jachthavens van Europa, en het schouwspel is navenant. Wandel langs de Quai des Milliardaires, waar de werkelijk grote boten aangemeerd liggen — sommige met een eigen helikopterdek en een bemanning die groter is dan menig dorpsbevolking. Het contrast met de bescheiden vissersbootjes aan de overkant maakt het beeld compleet. Aan het eind van de kade staat het beeld Le Nomade van Jaume Plensa: een witte figuur van stalen letters die uitkijkt over de zee.
De tegenhanger van het grootse Port Vauban. Aan de westzijde van de Cap d'Antibes, verscholen achter een rotsige kaap, ligt dit piepkleine haventje van nog geen hectare groot. Het herbergt een stuk of veertig boten, waarvan het merendeel traditionele pointus: houten vissersboten met spits toelopende voor- en achtersteven, beschilderd in felle kleuren en gebouwd volgens eeuwenoude Marseillaanse technieken. Een lokale vereniging waakt erover dat het haventje zijn karakter behoudt. Ga er heen als de zon laag staat; het beeld is dan van een bijna onwerkelijke stilte.
Port de l'Olivette bij zonsondergang: de felle kleuren van de pointus weerspiegeld in het kalme water, de pijnbomen op de kaap als silhouet.
Onder de metalen hallenstructuur op de Cours Masséna — gebouwd in 1928 in de stijl van Baltard, op de plek waar in de middeleeuwen boeren hun waren aan de man brachten buiten de stadsmuren — speelt zich elke ochtend behalve maandag het dagelijks leven van Antibes af. Dit is geen toeristenmarkt; hier kopen de lokale koks hun ingrediënten in. Denis de visser verkoopt er zijn rougets en rascasses, vers uit zijn netten. Bij Jacques de kaasboer vind je tommes de montagne, geitenkaas uit de Préalpes en romige brebis. De groentekramen liggen vol aubergines, courgettes rondes en vleestomaten. En aan het einde, bij de arcaden, stijgt de geur van de socca op — goudbruin en vers uit de houtoven. Wees er vóór tienen.
Dit is de wandeling die we iedereen met klem aanraden. Het kustpad — door de plaatselijke bevolking ook wel het Sentier de Tirepoil genoemd, naar de windvlagen die je haar in de war blazen — slingert zo'n vijf kilometer langs de kliffen van de Cap d'Antibes. Begin bij Plage de la Garoupe en reken op anderhalf tot twee uur. Laat de slippers in de tas: het terrein is ongelik kalksteenrots met steile trappen en smalle doorgangen. Degelijke schoenen zijn geen aanbeveling maar een vereiste.
Onderweg klemt de endemische flora zich vast aan de rotsen: zeekraal, zilverblad, zeelavendel en de zeldzame Barbe de Jupiter. Onder het wateroppervlak strekken zich uitgestrekte velden Posidonia oceanica uit — zeegras dat er op het strand uitziet als bruine slierten, maar dat in werkelijkheid de graadmeter is voor de zuiverheid van het water. Bij helder weer reikt het uitzicht tot de Îles de Lérins in het zuiden en de besneeuwde toppen van de Mercantour in het noorden.
Boven op de Cap d'Antibes, verscholen tussen de pijnbomen, staat een van de krachtigste vuurtorens van de hele Middellandse Zee. Het licht van de Phare de la Garoupe reikt tot zestig kilometer over zee en dient zelfs de luchtvaart als oriëntatiepunt tot op honderd kilometer afstand. Vlakbij staat de Chapelle de la Garoupe, een bedevaartskerkje vol ex-voto's van zeelieden. De wandeling ernaartoe levert een uitzicht op dat wedijvert met dat van het Sentier du Littoral — maar dan van bovenaf.
Het Sentier du Littoral: het ruige rotspad langs de kliffen, turquoise water beneden, wilde vetplanten die zich vastklampen aan de rotsen.
Een kleine kiezelbaai op de route naar de Cap d'Antibes, ingeklemd tussen de grotere stranden van La Salis en Le Ponteil. Hoge bomen bieden natuurlijke schaduw — een zeldzaamheid aan deze kust. Het water is helder genoeg om de bodem te zien; neem een duikbril mee. Minder bekend en daardoor rustiger dan de buurstranden.
Het best bewaarde geheim van de Cap. De naam — 'vals zilver' — verwijst naar de zilverachtige reflecties die de zon op het water werpt. Tot 2011 was deze baai uitsluitend per boot te bereiken; inmiddels is er een voetpad, al blijft het discreet.
De toegang gaat via de Avenue Mlle Beaumont, loodrecht op de Boulevard John F. Kennedy. Er is geen parkeergelegenheid; laat de auto verderop staan of laat je afzetten. Loop naar de imposante hekken van de Villa Eilenroc; vlak ernaast loopt een smal voetpad de begroeiing in. Na een afdaling van een minuut of vijf, met hier en daar een trapje, bereik je een mineraal platform met een metalen ladder die rechtstreeks het water in leidt. Het is er rotsig, niet zandig — waterschoenen zijn onontbeerlijk. Er is geen horeca, geen prullenbak, geen enkel commercieel vertier. Precies daarom is het er zo mooi.
Een zandstrand in de vorm van een hoefijzer, verscholen aan de voet van de stadsmuren van Vieil Antibes, bereikbaar via een poortje bij de ingang van Port Vauban. Beschut tegen wind en deining door dikke stenen pieren. Aan het eind van de middag valt de schaduw van de oude daken over het strand — een aangenaam moment om er neer te strijken met een boek.
Zodra de marktkramen rond het middaguur worden opgeruimd, verandert de Cours Masséna van karakter. De commercie maakt plaats voor het echte Antibes: mannen die met uiterste precisie hun boules gooien, een glas pastis op een bankje. Ga er rond een uur of vijf even bij zitten en kijk toe. Of waag zelf een worp: of je nu raakt of mist, de lachers heb je op je hand. Dit is het Antibes dat in geen enkele reisgids beschreven staat.
In de pétanque bestaat een eeuwenoud ritueel voor de ultieme vernedering: wie een wedstrijd verliest met 13–0, heeft 'Fanny gemaakt'. Het verliezende team moet dan het achterwerk kussen van een beeld of schilderij genaamd Fanny — in menig dorpscafé hangt er een speciaal exemplaar voor dit doeleinde. In beschaafder gezelschap wordt het bij een handdruk gelaten, maar in de dorpen van de Provence gaat men er nog altijd met volle overtuiging in mee. Overigens: loop nooit tussen een speler en het doel door, en houd je commentaar op andermans worp voor je.
Verscholen op de Cap d'Antibes ligt deze botanische tuin van ruim drie hectare, aangelegd in 1857 door de botanicus Gustave Thuret. Thuret was gefascineerd door de mogelijkheid om exotische planten uit de hele wereld aan te passen aan het mediterrane klimaat. Het domein herbergt inmiddels meer dan tweeëndhalfduizend bomen en struiken en valt onder de hoede van het nationale landbouwkundig onderzoeksinstituut INRA. De palmen, eucalyptussen en vele andere gewassen die tegenwoordig onlosmakelijk met de Rivièra verbonden lijken, werden hier voor het eerst geplant en getest.
George Sand beschreef de tuin in 1868 als de mooiste die zij ooit had gezien. Koningin Victoria bracht er eveneens een bezoek. Het is op werkdagen gratis toegankelijk — een oase van stilte waar bijna niemand komt.
Veel bezoekers nemen aan dat de palmen en exotische beplanting langs de Côte d'Azur er altijd al stonden. In werkelijkheid was het overgrote deel van de kust tot ver in de negentiende eeuw bedekt met ruige garrigue, steeneiken en rotsige hellingen. Het waren botanici als Gustave Thuret die vanuit de Jardin Thuret de eerste palmen, eucalyptussen en agaves introduceerden. Zonder hun experimenten had de Rivièra er fundamenteel anders uitgezien.
Het grootste eiland van de Îles de Lérins, op een kwartiertje varen vanuit Cannes. Autovrij, gehuld in pijnbomen en eucalyptus, met verborgen baaitjes langs de kust. In het Fort Royal zat ooit de beruchte Man met het IJzeren Masker gevangen. De gemarkeerde paden voeren je langs een vogelrijk meertje, eeuwenoude beplanting en verlaten inhammen. Neem nadrukkelijk een eigen picknick mee: de schaarse horeca bij de aanlegsteiger weet haar monopoliepositie getrouw in de prijs te vertalen. De veerboten van Trans Côte d'Azur of Riviera Lines vertrekken regelmatig vanuit de Vieux Port de Cannes.
De identiteit van de Man met het IJzeren Masker is tot op de dag van vandaag een raadsel. Alexandre Dumas schreef erover, Voltaire speculeerde dat het de tweelingbroer van Lodewijk XIV was. In werkelijkheid droeg de gevangene een fluwelen masker, geen ijzeren — de literaire overdrijving kwam later. Zijn cel in het Fort Royal op Île Sainte-Marguerite is nog te bezichtigen, en verrassend klein voor iemand die de slaap van de Zonnekoning kennelijk zo ernstig verstoorde.
Vanuit Juan-les-Pins of Plage de la Salis kun je gemakkelijk een kajak of een stand-up paddle huren. Het water is hier van een zeldzame helderheid; neem een duikbril mee, je kijkt je ogen uit. Diverse aanbieders organiseren ook snorkeltrips langs de Cap d'Antibes.
Waar wij zelf graag aanschuiven — en waar we jullie wellicht tegenkomen.
Het begint allemaal op de markt. De Marché Provençal op de Cours Masséna, elke ochtend behalve maandag. Wees er vóór tienen. Koop wat radijsjes, een stukje romige tomme de montagne en een mandje geurige aardbeien. En vergeet vooral de socca niet — die dampende pannenkoek van kikkererwtenmeel, goudbruin en royaal gepeperd, vers uit de houtoven. Dat is het ontbijt der kampioenen hier.
Socca — dé specialiteit van de kust. Op de markt eet je het traditioneel uit een papieren punt. Voor een eigenwijze variant met bosuitjes, ansjovis of chorizo: de Socca Bar in de Rue James Close. Een klein schaduwrijk terras en een koel glas rosé maken het feest compleet.
Pissaladière — een hartige taart van gekarameliseerde uien met ansjovis en zwarte olijven. De ultieme streetfood van de Rivièra.
Tourte aux blettes — een Niçoise specialiteit die je overal kunt krijgen maar zelden goed. De zoete variant — ja, zoet — combineert snijbiet met pijnpitten, rozijnen en een scheut rum in een fijn deeg. Het klinkt vreemd. Het smaakt wonderlijk goed.
Farcis niçois — met zorg gevulde seizoensgroenten. Een familierecept waar elke grootmoeder haar eigen heilige variant van heeft.
Daube provençale — een langzaam gegaard stoofgerecht van rundvlees in rode wijn. Vraag er altijd extra brood bij om de jus te eren.
Socca is al sinds de middeleeuwen het volksvoedsel van de kust tussen Nice en Genua. De bereiding is in wezen eenvoud zelve — kikkererwtenmeel, water, olijfolie, zout — maar het geheim zit in de bakplaat: een enorme koperen schijf die gloeiend wordt in een houtgestookte oven. De socca moet vanboven zacht en vanonder knapperig zijn. Te lang en het wordt een cracker, te kort en het is pap. Vandaar dat de goede kramen altijd een rij hebben.
In de bescheiden Rue de la Pompe staat een bakkerij die al sinds 1924 door dezelfde familie wordt gerund. Opgericht door Antoine en Aurélie Veziano, tegenwoordig in handen van hun kleinzoon Jean-Paul — een man die het bakken beschouwt als een vorm van cultureel erfgoed. Zijn broden, op basis van biologische bloem en natuurlijke gist, worden geleverd aan de beste tafels van de kust, en werden zelfs opgediend bij het huwelijksdiner in het paleis van Monaco.
Zijn pissaladière is legendarisch. De tourte aux blettes (zoet) is een belevenis. En de fougassettes — luchtige briochjes op smaak gebracht met oranjebloesemwater — zijn een lokale klassieker die je nergens anders in deze kwaliteit vindt.
In 2019 werd Jean-Paul Veziano uitgenodigd voor een gastronomisch congres in Tel Aviv. Daar bracht hij een Joodse en een islamitische collega-bakker samen rond zijn kneedtafel om gezamenlijk een deeg te maken. Een stuk van dat deeg nam hij mee terug naar Antibes, waar het dienstdeed als moederdesem — het vertrekpunt voor een zuurdesembrood dat vervolgens werd verstuurd naar meer dan tweehonderd bakkers in zeventien landen. Een gebaar van verbinding, in de eenvoudigste vorm die er is.
La Petite Escale — Verscholen in de Rue Fourmillière. De eigenaar zwaait zelf de scepter in een piepkleine keuken. Het menu wisselt dagelijks; de vis is kraakvers. Reserveren is een noodzaak.
Le Vauban — Onberispelijk witte tafelkleden en de serene sfeer van het oude Antibes. Vraag naar de formule midi: hetzelfde niveau als 's avonds, maar voor een schappelijker tarief. Het soort plek waar je twee uur zit en dat volstrekt normaal vindt.
Chez Jules — Aan de Rue des Casemates, herkenbaar aan de kratten verse groenten voor de deur. De meest authentieke Niçoise keuken van de stad. Ze bieden ook een uitstekende formule midi aan.
Le Broc en Bouche — Zo'n adres dat je alleen vindt als iemand je de weg wijst. Bij dezen.
Le Comptoir de la Tourraque — Nabij de markt, met een handgeschreven krijtbordmenu. Creatief, goed geprijsd, de sfeer is er altijd hartelijk.
Le Figuier de Saint-Esprit — Op de stadswallen, onder een eeuwenoude vijgenboom. Chef Christian Morisset, bijgestaan door zijn zonen, kookt hier al jarenlang op het allerhoogste niveau met producten die hij 's ochtends zelf op de markt uitzoekt. De lamsrug uit de Alpilles, gegaard in klei van Vallauris, is een gerecht waar men speciaal voor terugkomt. De sfeer is intiem en volstrekt ongedwongen. Reserveer tijdig.
La Maison de Bacon — Aan de Boulevard de Bacon, met een klassiek uitzicht over de daken van Antibes en de bergen van de Mercantour. Opgericht in 1948 door de familie Sordello en nog altijd gewijd aan hetzelfde uitgangspunt: vis en zeevruchten bereiden met een precisie die nergens in overdaad vervalt. Een van de oudste en meest gerespecteerde adressen aan de kust.
La Passagère — In het Hôtel Belles Rives aan Juan-les-Pins, de voormalige woning van Scott en Zelda Fitzgerald. Onder art-deco kroonluchters, met uitzicht op het Esterel-gebergte. De keuken richt zich op vis en seizoensgroenten, bereid met een elegante eenvoud die past bij het decor. Een avond hier is een avond in de jaren twintig.
Een middag aan de Plage de la Garoupe — Op dit beschutte strand bieden strandtenten een bed, een parasol en een uitstekende lunch aan de waterlijn. Ideaal voor een dag waarop werkelijk niets hoeft. In het hoogseizoen reserveren.
Tot begin jaren twintig van de vorige eeuw sloot de Côte d'Azur in mei haar deuren. De zomerwarmte werd als ongezond beschouwd en de grote hotels gingen dicht. Dat veranderde toen het Amerikaanse echtpaar Gerald en Sara Murphy de directie van het Hôtel du Cap overhaalde om de zomer open te blijven. Ze huurden de Villa America en nodigden hun vriendenkring uit: Ernest Hemingway, Scott en Zelda Fitzgerald, Pablo Picasso. Rond hun honderd voet lange schoener, de Weatherbird, vestigden ze een kunst van leven die de Rivièra voorgoed zou veranderen: zwemmen in de zomer, dineren onder de pijnbomen, en een soort ontspannen elegantie die hier tot op de dag van vandaag de toon zet.
Nomads Coffee — In Vieil Antibes, en 's zomers ook bij de haven. Ze branden hun bonen zelf. Zonder twijfel de beste koffie van de stad.
La Torréfaction de Fersen — Eigenaar Franck is een vakman van het zuiverste water. Je kunt er ook bonen kopen voor thuis.
Boulangerie Veziano — Waar de buurt 's ochtends vroeg in de rij staat voor een warme croissant. Geen fratsen, wel ambacht.
La Cave des Epicuriens — Een wijnhandel geleid door sommelier Olivier Frayssinet. Zo'n driehonderd referenties, van grote namen tot verborgen schatten uit kleine wijngaarden. Deskundige adviezen, en ze bezorgen desgewenst aan huis.
Boucherie Marso — Een slager van het allerhoogste niveau. Lamsvlees uit Sisteron, rundvlees uit de Aubrac, charcuterie van eigen makelij. De eigenaars zijn bekroond als Meilleur Ouvrier de France.
Comtesse du Barry — In de Rue Sade, voor foie gras, truffel en fijne conserven. Een degelijk adres als je je tafel thuis wilt aankleden.
L'Absinthe Bar — In een gewelfde kelder nabij de markt, een paar treden onder straatniveau. Het drinken van absint wordt hier nog als een ritueel uitgevoerd: een suikerklontje op de gaatjeslepel, ijskoud water dat druppelsgewijs het heldere groen vertroebelt. De barman legt het hele proces uit. Zeer eigenzinnig.
Le Troquet des Milliardaires — Aan de kade bij de grote jachten. Vraag eigenaar Olivier om een cocktail naar eigen inzicht. De sfeer is er verrassend ongedwongen.
Le Fitzgerald Bar — In het Hôtel Belles Rives. Art-deco interieur, een livepianist, uitzicht over de baai. De plek waar Scott Fitzgerald ooit zijn avonden doorbracht, en waar de sfeer van die jaren nog steeds voelbaar is.
Absint — la fée verte — was het favoriete drankje van de kunstenaars en schrijvers die de Côte d'Azur in de negentiende eeuw op de kaart zetten. Van Gogh, Toulouse-Lautrec, Verlaine: ze zworen er bij. Het drankje werd in 1915 in Frankrijk verboden wegens vermeende geestverruimende bijwerkingen, maar is inmiddels al weer jaren gerehabiliteerd. Eén glas is doorgaans meer dan voldoende voor een hele middag inspiratie.
Mijd de zaken met foto's op de kaart of een opdringerig 'menu touristique' bij de deur. Zoek liever naar plekken met een kort, handgeschreven krijtbordmenu — dat is de beste garantie voor versheid. En vergeet niet: bij de meeste bistro's is de lunch (formule midi) een uitstekende manier om op het allerhoogste niveau te eten voor een fractie van het avondtarief.
Drie beelden: socca in papier op de markt, een gedekte tafel onder de vijgenboom bij Le Figuier de Saint-Esprit, en een glas rosé aan Port Vauban terwijl de zon wegglijdt.
De Provence laat zich niet vangen in een lijstje. Ze laat zich proeven, stukje bij beetje, zoals een goed glas wijn dat je niet opdrinkt maar bewoont.
Van middeleeuwse vestingstadjes tot de geur van jasmijn in de heuvels.
Het bijzondere aan deze streek is de grenzeloze afwisseling. Je kunt de dag beginnen met een verfrissende duik in een baai op de Cap, 's middags aanschuiven in een verstild bergdorp en de avond afsluiten op je eigen terras met een goed glas wijn uit Bellet. Hieronder de uitstapjes waar wij zelf nooit genoeg van krijgen.
Tien minuten op de pedalen of een kort ritje met de auto — het ligt nagenoeg om de hoek. Biot is een schilderachtig middeleeuws dorp, befaamd om zijn ambachtelijke glasblazerijen. Bij de Verrerie de Biot kun je zien hoe het karakteristieke bubbelglas wordt vervaardigd: een procedé dat hier al sinds de achttiende eeuw wordt beoefend. Wandel daarna door de smalle straatjes vol ateliers, en lunch op het dorpsplein onder de platanen.
Een kwartier rijden. Een sfeervol Provençaals dorp met een zestiende-eeuws arcadeplein. Op vrijdagochtend komt de markt tot leven: geitenkaas, goudgele olijfolie, honing uit de heuvels. Een lunch op de Place des Arcades is een aanrader.
Een kwartier met de trein vanaf Gare d'Antibes. Begin op de Cours Saleya bij de bloemen- en vismarkt en dwaal door de stegen van Vieux Nice. Haal een portie socca bij Chez René Socca — de rij staat er niet voor niets. Klim naar de Colline du Château voor het panorama. Sluit af met een wandeling over de Promenade des Anglais als de zon laag staat. Neem de trein — parkeren in Nice is een beproeving.
De Promenade des Anglais dankt haar naam aan een Engelse dominee. In de strenge winter van 1822 zaten er zoveel werkloze arbeiders in Nice dat de predikant Lewis Way een collecte organiseerde onder de Britse wintergasten om een wandelpad langs de zee aan te leggen — als werkverschaffing. De Fransen noemden het 'Le Chemin des Anglais'. Koningin Victoria wandelde er later met regelmaat. Pas veel later ontdekten de Fransen zelf hun eigen kust.
Twaalf minuten per spoor. Zoek het authentieke Cannes op in Le Suquet, de oude visserswijk op de heuvel. De Marché Forville aan de voet is de versmarkt waar de plaatselijke koks hun ingrediënten betrekken. Uitstekend te combineren met een overtocht naar Île Sainte-Marguerite — de veerboten vertrekken om de hoek.
Ruim een halfuur met de auto, bij voorkeur via de Grande Corniche. Een middeleeuws dorp op vierhonderd meter boven de zee. De Jardin Exotique op de top biedt een van de spectaculairste vergezichten van de kust — bij helder weer zie je tot Corsica. Parkeer beneden en wandel in een kwartier omhoog.
De filosoof Friedrich Nietzsche schreef het derde deel van Also sprach Zarathustra terwijl hij herhaaldelijk de steile weg van het strand naar het dorp Èze beklom. Het pad heet sindsdien het Chemin de Nietzsche. De klim duurt ruim een uur en is niet voor iedereen — maar het uitzicht halverwege is al de moeite waard, ook zonder filosofische epifanie.
Vijfentwintig minuten rijden. Een ommuurd kunstenaarsdorp waar Chagall en Matisse hun sporen nalieten. De Fondation Maeght, net buiten het dorp tussen de pijnbomen, is een van de belangrijkste collecties moderne kunst ter wereld — Giacometti, Miró, Chagall — in een gebouw dat architectonisch minstens zo indrukwekkend is als de kunst erin. Neem hier de tijd.
Een halfuur rijden via de D2085, door heuvels die geuren naar rozen en jasmijn. In de bakermat van de parfumerie kun je bij Fragonard of Molinard je eigen geur samenstellen — een verrassend leuk proces. Het Musée International de la Parfumerie biedt een mooi overzicht van de geschiedenis der geuren. De rit door het achterland maakt het uitstapje op zichzelf al de moeite waard.
Overzichtskaart met Floréa Parc als middelpunt: Biot en Valbonne dichtbij, Nice en Cannes per trein, Île Sainte-Marguerite per veer, Èze en Saint-Paul in de heuvels, Grasse dieper het achterland in.
De schrijver Jules Verne huurde de Villa Les Chênes Vertes, een witgepleisterd huis aan de kust van de Cap d'Antibes (tegenwoordig Boulevard Président Kennedy 152). Hij legde zijn jacht, de Saint Michel II, voor de deur aan en schreef er aan Vingt mille lieues sous les mers en Le Tour du monde en quatre-vingts jours. Zijn naam staat nog altijd gegraveerd op de pilaar van het toegangshek. De toekomst verbeelden deed hij dus vanuit een huis dat inmiddels zelf al anderhalve eeuw tot het verleden behoort.
De Britse schrijver Graham Greene — voormalig inlichtingenofficier bij de MI6, auteur van The Human Factor en The Power and the Glory — woonde de laatste vierentwintig jaar van zijn leven in Antibes. Niet in een villa, maar in een bescheiden tweekamerappartement aan de Rue Pasteur, in het gebouw Résidence des Fleurs. Vanaf zijn balkon op de vierde verdieping keek hij uit over Port Vauban.
Greene at bijna dagelijks bij het Café Felix aan de haven, waar hij steevast begon met een dry martini — bereid met een scheut crème de cassis en nadrukkelijk zonder citroen. De obers bewaarden zijn halfvolle fles wijn voor de volgende dag. Hij hield het meest van Antibes in de winter: als de regen over de stadsmuren joeg, de beelden op het Château Grimaldi glommen van het water en de kale masten van de verlaten jachten als tandenstokers de grijze hemel in priemden. Dan, schreef hij, werd Antibes weer wat het in zijn hart altijd was geweest: een stil provinciaal stadje.
Een bescheiden plaquette aan de gevel van zijn voormalige woning herinnert aan zijn aanwezigheid. Het is de moeite waard om er even langs te lopen.
Deze gids is met opzet onvolledig. Wij hebben enkel opgeschreven wat we door de jaren heen op waarde hebben leren schatten — de plekken die je niet direct via een zoekmachine vindt, maar die je moet kennen om je hier werkelijk thuis te voelen. De rest ontdek je vanzelf, op je eigen tempo en op je eigen manier.
Neem de tijd. Dwaal eens rond. Verlies jezelf in de steegjes van Vieil Antibes, zoek een verlaten baai op, of bestel van het krijtbord een gerecht waarvan je de naam nauwelijks kunt uitspreken. En wanneer je aan het eind van de dag terugkeert in het park, met het zand nog tussen de tenen en de laatste warmte van de avondzon op je gezicht, dan begrijp je precies waarom wij ons hart aan deze plek hebben verpand.
Bon séjour.